Enkele Defenities van in de Muziek veel Gebruikte Termen

Om een geluid te kunnen opschrijven zodat we het ook weer kunnen reproduceren moeten we twee dingen weten:
-TOONHOOGTE: hoe hoog of hoe laag een geluid is.
PITCH: height or depth of a sound.
-NOOTLENGTE: hoe lang dat geluid duurt.
LENGTH of DURATION: the length of a sound

Om aan te geven hoe hoog of laag een geluid is maken we gebruik van een notenbalk.
NOTENBALK: 5 horizontale en aan elkaar evenwijdig lopende lijnen, met
4 tussenruimten
STAFF or STAVE: ladder-like arrangement of 5 horizontal and parallel lines and
4 intermediate spaces.
TOONLADDER: opeenvolging van geluiden in een alfabetische volgorde met
gebruikmaking van de letters A - G, die steeds herhaald worden.
SCALE: regular alphabetical succession of sounds, using the first seven letters
of the alphabet, A - G ( the musical alphabet), and these are repeated
to represent the same notes at a higher or lower level.

Om de naam aan te geven van de tonen op een notenbalk moeten we gebruik maken van een
MUZIEKSLEUTEL: teken dat het toonhoogtebereik van de notenbalk aangeeft.
CLEF: A sign to indicate the pitch range of the staff.

We kennen 3 verschillende muzieksleutels: de G sleutel, de F sleutel en de C sleutel.

De G sleutel geeft het bereik aan van de hogere tonen: De toonhoogte van pipe chanter en
snare drums ligt in dit bereik.
De F sleutel wordt gebruikt voor de lagere tonen: de bass drone en de bass drum horen
thuis in het bereik van deze muzieksleutel.
De C sleutel geeft het middenbereik aan tussen de G en F sleutel in: hier vinden we de toonhoogte van tenor drone en tenor drum.

Voegen we deze toonbereiken samen dan gebruiken we een:
SAMENGESTELDE NOTENBALK: deze bestaat uit twee notenbalken aan de voorzijde met elkaar verbonden door een accolade. De bovenste balk heeft de G sleutel, de onderste balk de F sleutel. Soms wordt gebruik gemaakt van een middenlijn tussen deze twee notenbalken in. ( het C sleutel bereik).
Veel instrumenten hebben een toonbereik dat deze samengestelde notenbalk nodig heeft.
( b.v. piano)
THE GREAT STAFF: 11 horizontal & parallel lines and 10 intermediate spaces.
It is divided into two 5 line staves and a middle C line. They are connected by a brace.
It is used to show the full pitch range of human voices.

INTERVAL: dit is de afstand tussen twee tonen. b.v. sekunde (twee opeenvolgende tonen) terts (afstand tussen b.v A - C of D - F), kwart (afstand tussen A -D of B -E).
INTERVAL: distance in degrees between any two notes.
DEGREE: every line or space in the staff.
b.v interval tussen A-F is 6 degrees. (begin- en eindtoon worden meegeteld).
OKTAAF: de achtste noot in alfabetische volgorde d.w.z. A - A of G - G .
OCTAVE: interval of 8 degrees.

NOTEN:

Bestaan uit een bolletje (head) met daaraan een stok (stem) en eventueel een vlag (tail).
Ze worden zoveel mogelijk, tot de waarde van de beat, aan elkaar verbonden.

We kunnen een noot verlengen door er een PUNT (dot) achter te zetten.
Een punt verlengt de noot met de helft van zijn waarde.
Een kwart noot met punt heeft dus de lengte van een kwart noot plus een achtste noot.
We kunnen een noot verkorten door hem een vlag (tail) te geven.
Een vlag reduceert de noot tot de helft van z'n waarde.
In Schotland wordt gesproken over dotted notes en cut notes.
Andere mogelijkheden om een noot te verlengen zijn :
de tie of bind, de noot wordt zo lang aangehouden als de nootlengte van beide aan elkaar verbonden noten.

dubbele punt: de eerste punt verlengt de noot met de helft van z'n waarde.
de tweede punt verlengt de noot met de helft van de waarde van
de eerste punt.
b.v. kwart noot met twee punten: kwart noot + 1/8 + 1/16

pause sign: een punt met boogje boven de noot. Dit betekent dat je de noot
naar believen kunt aanhouden.

HULPLIJNTJE (leger line) : dit is een klein lijntje evenwijdig aan de notenbalk
dat gebruikt wordt als het bereik van de notenbalk
niet voldoende is. Bij pipes de hoge A noot.

FULL SCORE: deze wordt gebruikt om muziek van alle instrumenten die gelijk spelen te noteren. Bij de pipe band bestaat hij uit een notenbalk met score voor de pipes, daaronder en score voor de snares, daaronder een score voor de tenordrums, daaronder een score voor de bass drum. Alle scores zijn verbonden door een accolade (brace or bracket).

DELEN, BALKEN, MATEN, MAATSTREPEN, BEATS, OFF BEATS.

Een muziekstuk bestaat uit één of meer DELEN (parts)

Een deel heeft veelal twee NOTENBALKEN (lines)

Iedere balk is onderverdeeld in MATEN. (bars)

De maten worden van elkaar gescheiden door MAATSTREPEN. (barlines)

MAATSTREEP:verticale lijntjes die de muziek verdelen in porties van gelijke lengte.

DUBBELE MAATSTREPEN (double barlines): deze komen voor aan het begin en eind van een deel.

HERHALINGSTEKEN (repeat sign): twee puntjes achter de eerste dubbele maatstreep en voor de dubbele maatstreep aan het eind geven aan dat dit deel herhaald moet worden.

Iedere maat is weer onderverdeeld in een aantal PASSEN OF STAPPEN. (beats)

Ook de beat is nog onder te verdelen. Dit kunnen we doen bij tunes waar de beat b.v. uit 4 noten bestaat. Dit komt voor in 2/4 competitie marches, 2/2 reels, en 2/4 hornpipes.
Om ervoor te zorgen dat we niet alleen de beats precies timen op gelijke afstand van elkaar maar ook binnen de beat niet rommelen met de juiste nootlengte kunnen we een extra beat invoegen. Dit is dan de OFF BEAT.
Binnen zo'n beat van vier noten valt de beat dan op de eerste noot, de off beat op de derde.
Let wel: dit is alleen een hulpmiddel om te zorgen dat binnen de beat je timing juist is zodat je niet wordt beschuldigd van "Irratic playing".
Feitelijk speel je dan voor even 4 beats per maat in bovenstaande maatsoorten.

GRACENOTEN, DOUBLINGS, EMBELLISHMENTS, SLUR

Gracenoten, doublings:
Dit zijn muzikale versieringen die worden gebruikt om de muziek te verrijken. Ze worden kleiner geschreven dan de andere noten en de stok van de nootjes wijst omhoog.

Embellishments:
Dit zijn versieringen in de drummuziek zoals de flam en de drag.

Deze kleine versieringen worden niet meegeteld bij de nootlengten binnen een maat.

SLUR:
Dit is een boogje dat wordt gebruikt wanneer twee of meer noten van verschillende toonhoogte bij elkaar behoren. B.v. triolen of triplets.

TIE OR BIND:
Ook zo'n boogje maar dan gebruikt bij twee noten van dezelfde toonhoogte.
Hierdoor wordt de eerste noot als het ware verlengd met de noot die erachter staat en waarmee hij verbonden is.